Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB3102

Datum uitspraak2001-11-02
Datum gepubliceerd2001-11-02
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersR01/010HR
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Rek.nr. R01/010 mr. E.M. Wesseling-van Gent Parket, 29 juni 2001 Conclusie inzake: [De vader] tegen STICHTING JEUGDBESCHERMING ZEELAND 1. Feiten en procesverloop(1) 1.1 Op 17 oktober 2000 hebben [de vader] en [de echtgenote], de met het gezag belaste ouders van de onder toezicht gestelde minderjarigen [kind 1], geboren op 13 december 1983 te [geboorteplaats], [kind 2], geboren op 7 maart 1986 te [geboorteplaats], [kind 3], geboren op 15 januari 1989 te [geboorteplaats] en [kind 4], geboren op 27 december 1993 te [geboorteplaats]; een verzoekschrift bij de arrondissementsrechtbank te Middelburg ingediend, strekkende tot geheel of gedeeltelijk vervallen verklaring van de door verweerster in cassatie, Jeugdbescherming Zeeland, gegeven aanwijzing. 1.2 Op 9 november 2000 is van de gezinsvoogdij-instelling het hulpverleningsplan en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling van iedere minderjarige afzonderlijk ontvangen. Op 16 november 2000 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. 1.3 De ouders en de gezinsvoogdij-instelling zijn gehoord. De pleegouders van de minderjarigen en de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] hebben hun mening schriftelijk kenbaar gemaakt. 1.4 Bij beschikking van 16 november 2000 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen op de grond dat de gegeven aanwijzing passend is en dat in het belang van (een goede ontwikkeling van) de kinderen de contacten met de kinderen en hun pleegouders, conform de aanwijzing van de gezinsvoogdij-instelling, alleen door tussenkomst van de gezinsvoogdes mogelijk kunnen zijn. 1.5 Verzoeker tot cassatie, de vader, heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. In het verzoekschrift tot cassatie wordt een middel voorgesteld. Jeugdbescherming Zeeland heeft in haar verweerschrift van 15 februari 2001 primair verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren. De vader heeft daarop gereageerd met een verweerschrift van 8 maart 2001, waarna de Stichting bij brief van 27 maart 2001 heeft verzocht daarop nog te mogen reageren. Vervolgens heeft de Stichting zich bij faxbericht van 12 juni 2001 over het verweerschrift uitgelaten. 2. Ontvankelijkheid 2.1 Zoals onder 1 vermeld gaat het hier om een verzoek tot geheel of gedeeltelijk vervallen verklaring van een gegeven aanwijzing, dat bij beschikking van de rechtbank van 16 november 2000 is afgewezen. In beginsel kan slechts beroep in cassatie worden ingesteld tegen een beschikking waartegen geen ander gewoon rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan (art. 96 RO). Voor verzoeker heeft op grond van art. 807 onder a Rv. in verbinding met art. 1: 263a lid 2 BW hoger beroep open gestaan tot 16 januari 2001(2). De vader is derhalve niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot cassatie. 2.2 Ingevolge art. 340 Rv. in verbinding met art. 429n lid 2 Rv.(3) zou alsnog hoger beroep kunnen worden ingesteld tegen de bestreden beschikking binnen twee maanden vanaf de dag van de uitspraak in cassatie. Vereist is dan wel dat het cassatieberoep tijdig, dat wil zeggen binnen de termijn van hoger beroep, is ingesteld. 2.3 De rolkaart vermeldt dat het verzoekschrift tot cassatie op 16 januari 2001 is ingekomen. Uit ambtshalve ingewonnen inlichtingen bij de griffie van de Hoge Raad blijkt dat het verzoekschrift per fax op 16 januari 2001 is ontvangen. Per abuis is een datumstempel met als datum: 17 januari 2001, op het verzoekschrift geplaatst, waarna met pen de juiste datum, 16 januari 2001, is aangegeven. Het afschrift van het verzoekschrift dat aan de verweerder is gestuurd, is eveneens gedateerd op 16 januari 2001. Een en ander brengt mee dat het cassatieberoep tijdig is ingesteld. 2.4 Overigens zou uit de door de vader overgelegde productie 1 bij verweerschrift inzake de niet-ontvankelijkheid kunnen worden afgeleid dat wellicht al hoger beroep was ingesteld doch dat dit als ingetrokken wordt beschouwd. Deze kwestie speelt thans in cassatie geen rol, maar komt bij een eventueel hoger beroep aan de orde. 3. Conclusie Deze strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Zie de bestreden beschikking. 2 De rechtbank heeft een en ander ook in haar beschikking aangegeven. 3 Zie voor de toepasselijkheid van art. 340 Rv. in verzoekschriftprocedures de literatuur en jurisprudentie genoemd in Burgerlijke Rechtsvordering, Wesseling-van Gent, art. 429n, aant. 13.


Uitspraak

2 november 2001 Eerste Kamer Rek.nr. R01/010HR AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De vader], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. R. Kaya, t e g e n Stichting Jeugdzorg Zeeland, gevestigd te Middelburg, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand. 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 17 oktober 2000 ter griffie van de Rechtbank te Middelburg ingediend verzoekschrift hebben verzoeker tot cassatie en zijn echtgenote - verder te noemen: de ouders - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de door verweerster in cassatie - verder te noemen: Jeugdzorg Zeeland - gegeven schriftelijke aanwijzing van 3 oktober 2000 geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Nadat de Rechtbank op 16 november 2000 de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren had behandeld, heeft de Rechtbank bij beschikking van 16 november 2000 het verzoek afgewezen. De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. Jeugdzorg Zeeland heeft verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn cassatieberoep, dan wel - subsidiair - het cassatieverzoek ongegrond te verklaren. Bij verweerschrift op niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep heeft de vader zich tegen het verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring verweerd, waarna Jeugdzorg Zeeland, nadat zij bij brief van 27 maart 2001 daartoe toestemming had gevraagd en verkregen, op dat verweer heeft gereageerd. De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de vader in zijn beroep. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1 Het gaat in deze zaak om een verzoek tot gehele of gedeeltelijke vervallenverklaring van een door Jeugdzorg Zeeland op 3 oktober 2000 aan de ouders gegeven aanwijzing om niet op eigen initiatief contact op te nemen met de kinderen en hun pleegouders, maar ieder contact tot stand te laten komen door tussenkomst van de gezinsvoogdes. 3.2 Voor de ouders heeft op grond van art. 807 onder a Rv. in verbinding met art. 1:263a lid 2 BW hoger beroep opengestaan, zodat de vader ingevolge art. 96 RO niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep. 3.3 Op grond van de gegevens vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal Wesseling-Van Gent onder 2.3 staat vast dat de vader tijdig en binnen de termijn van appel beroep in cassatie heeft ingesteld, zodat hij op de voet van art. 340 in verbinding met art. 429n lid 2 Rv. alsnog hoger beroep bij het Hof zal kunnen instellen. 4. Beslissing De Hoge Raad verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn beroep. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, A.E.M. van der Putt-Lauwers en H.A.M. Aaftink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 2 november 2001.